Als docent sta je voor veel kinderen voor de klas. Ieder
kind is even belangrijk en je probeert ze zo goed mogelijk onderwijs te geven.
Je ziet de kinderen veel dagen van het jaar en je ziet ze ontwikkelen. Dat kan
je zien aan het werk wat ze leveren of hoe ze zich in de klas gedragen, maar
vooral ook de kwaliteiten van het kind mij heel erg gaan opvallen. Deze
kwaliteiten wil ik graag als docent uit het kind halen. Als ik als docent kwaliteiten
ga herkennen bij een kind, dan wil ik ook graag dat het kind die kwaliteiten kan
benutten.
Ouders kunnen de aanleg op gebied van rekenen, muziek of beeldende
vorming verder ontwikkelen bij hun kinderen. Als je kinderen op school
begeleidt, zijn deze interne factoren een gegeven. Je kunt er niets aan doen
maar je moet er bij de begeleiding wel rekening mee houden (van Eijkeren,2013).
Niet ieder kind heeft een aanleg voor bepaalde schoolvakken
maar wil wel graag dit soort dingen kunnen leren. Daar heeft het kind dus ook
de juiste omgeving voor nodig om zich wel te kunnen ontwikkelen op gebieden
waar hij of zij wat minder goed in is. Als een kind nog niet helemaal weet wat
zijn of haar talenten zijn, kun jij als docent daar bij helpen. Een kind kan
nog te jong zijn om het te zien en nog niet weet wat het kan. Een kind van tien
jaar kun je nog op zeker hoogte dwingen zijn of haar best te doen en talenten
die in aanleg aanwezig zijn te ontwikkelen(van Eijkeren, 2013). Persoonlijk zou
ik, wat van Eijkeren hier zegt doen, want hoe eerder je een kind kan helpen met
zijn of haar talenten te ontdekken, des te meer kan dat misschien zijn vruchten
afwerpen in de toekomst. Een leerkracht begeleidt een kind een jaar lang
intensief. De positieve(of negatieve) invloed die je in die periode op een kind
hebt, kan van doorslaggevende betekenis zijn voor een verdere ontwikkeling(van
Eijkeren, 2013). Ik wil die positieve invloed op een kind hebben en voor het
kind de doorslaggevende betekenis zijn. Daar moet ik later wel wat voor doen,
want om hier later invloed op te hebben, zal ik een positieve invloed moeten
uitvoeren, zodat ik daar een bijdrage in kan leveren. Ik moet natuurlijk het kind helpen met het
ontdekken van zijn talenten als het kind het zelf nog niet goed weet. Maar ook
de kinderen die het wel weten, die moet ik pushen om hun talenten verder te
ontwikkelen. Ook moet mijn lokaal later een fijne omgeving zijn voor kinderen
om ieder talent te ondersteunen met zijn ontwikkeling. Je schept een gunstig
pedagogisch en didactisch klimaat waarin een kind zijn talenten kan
ontplooien(van Eijkeren, 2013).
Door een bijdrage te kunnen leveren aan de identiteit van de
kinderen moet ik rekening houden met verschillende ontwikkelingen. Dat zijn:
lichamelijke ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, creatieve ontwikkeling en
sociaal-emotionele ontwikkeling(van Eijkeren, 2013).
Bij lichamelijke ontwikkeling denk je onder andere aan
motoriek en daar valt grove en fijne motoriek onder. Grove motoriek heeft veel
te maken met sport. Wanneer ik als leerkracht zie dat bepaalde kinderen goed
zijn in sporten, dan zou ik zeggen dat ze er vooral mee moeten doorgaan en
misschien wel harder moeten trainen of juist, als ze niet sporten, er juist hun
sport van moeten maken.
Bij fijne motoriek, waar je veel met leren schrijven bezig
bent, zou ik ervoor willen zorgen dat kinderen, die graag schrijven, meer
kunnen gaan schrijven om hun handschrift verder te ontwikkelen. Dat geldt ook
voor de kinderen die moeite hebben met schrijven. Een omgeving creëren waardoor
ze toch gestimuleerd worden om te gaan schrijven, want je handschrift hoort
toch ook bij identiteit.
Dan cognitieve ontwikkeling wat de ontwikkeling is van
begripsvormen, het denken(van Eijkeren, 2013). Buner en Vygotski zeggen dat
taal één van de belangrijkste invloeden is op de cognitieve ontwikkeling van
een kind. Een kind krijgt door middel van taal een greep op zijn of haar
omgeving. Ik wil als leerkracht kinderen daar bij helpen, want geen enkel kind
weet nog van alles wat het is of wat voor betekenis het heeft. Die greep op de
werkelijkheid hebben ze nog niet en daar zou ik graag voor willen zorgen. Dat
als kinderen een betekenis van iets willen weten, dat ik ze die kan geven en
dat ze het weten voor later. In mijn klas wil ik dan ook voorwerpen hebben waar
de kinderen altijd nog wat kunnen met de betekenis en dat ze altijd, als ze het
niet weten, het nog kunnen opzoeken.
Bij de creatieve ontwikkeling komen veel vaardigheden van
een kind aan bod( van Eijkeren, 2013). Creativiteit hoeft niet alleen te maken
te hebben met beeldende vorming, maar ook met het bedenken van nieuwe dingen en
het oplossen van problemen. Als leerkracht zou ik de dingen die met beeldende
vorming te maken hebben ophangen in de klas zodat de kinderen zien dat ik hun
werk mooi vind. Dit kan ze stimuleren om met de volgende werkjes nog meer leuke
dingen kunnen doen. Ik sta altijd open voor ideeen, zeker de ideeen van
kinderen, want die komen altijd met leuke nieuwe dingen. Als kinderen problemen
hebben met oefeningen van lessen, dan wil altijd eerst even dat ze het zelf
oplossen. Ik ga niet meteen helpen, want ik haal het alles uit de kinderen
zelf. Ik kan ze altijd in de juiste richting sturen, maar zelf het oplossen kan
voor het kind fijner zijn. Het kind gaat dan zelf beseffen dat hij of zij het
gewoon kan en dat kan er voor zorgen dat ze later ook dingen meer zelf gaan
doen i.p.v. het te vragen aan anderen. Dit helpt ook mee aan de identiteit van
de kinderen.
Als laatste heb je de sociaal-emotionele ontwikkeling en dat
gaat over de ontwikkeling in de omgang van het kind met zichzelf en met andere
mensen(van Eijkeren). Hierover vormen kinderen ook een zelfbeeld, een eigen
wil, opvattingen over normen en waarden, maar vooral een eigen identiteit(van
Eijkeren,2013). Kinderen moeten zich wel bewust zijn over wie ze zelf zijn. Met
wie praat de andere persoon en hoe zien zij jou? Als leerkracht zou ik de
kinderen graag willen bijbrengen dat zij beleefd moeten blijven tegen oudere
mensen. Wat kan je wel zeggen en wat niet? . Ik probeer de normen en waarden
over te brengen en de kinderen moet vervolgens wel zelf beseffen wat je daarmee
moet doen. Want dit gaan ze later gebruiken en als je weet hoe je hier mee om
moet gaan dan heb je wel weer een stukje van je identiteit erbij. Hoe praat ik
met mensen en hoe ga ik met ze om?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten