woensdag 3 december 2014

C. Pedagogiek

Als docent sta je voor veel kinderen voor de klas. Ieder kind is even belangrijk en je probeert ze zo goed mogelijk onderwijs te geven. Je ziet de kinderen veel dagen van het jaar en je ziet ze ontwikkelen. Dat kan je zien aan het werk wat ze leveren of hoe ze zich in de klas gedragen, maar vooral ook de kwaliteiten van het kind mij heel erg gaan opvallen. Deze kwaliteiten wil ik graag als docent uit het kind halen. Als ik als docent kwaliteiten ga herkennen bij een kind, dan wil ik ook graag dat het kind die kwaliteiten kan benutten.

Ouders kunnen de aanleg op gebied van rekenen, muziek of beeldende vorming verder ontwikkelen bij hun kinderen. Als je kinderen op school begeleidt, zijn deze interne factoren een gegeven. Je kunt er niets aan doen maar je moet er bij de begeleiding wel rekening mee houden (van Eijkeren,2013).
 
Niet ieder kind heeft een aanleg voor bepaalde schoolvakken maar wil wel graag dit soort dingen kunnen leren. Daar heeft het kind dus ook de juiste omgeving voor nodig om zich wel te kunnen ontwikkelen op gebieden waar hij of zij wat minder goed in is. Als een kind nog niet helemaal weet wat zijn of haar talenten zijn, kun jij als docent daar bij helpen. Een kind kan nog te jong zijn om het te zien en nog niet weet wat het kan. Een kind van tien jaar kun je nog op zeker hoogte dwingen zijn of haar best te doen en talenten die in aanleg aanwezig zijn te ontwikkelen(van Eijkeren, 2013). Persoonlijk zou ik, wat van Eijkeren hier zegt doen, want hoe eerder je een kind kan helpen met zijn of haar talenten te ontdekken, des te meer kan dat misschien zijn vruchten afwerpen in de toekomst. Een leerkracht begeleidt een kind een jaar lang intensief. De positieve(of negatieve) invloed die je in die periode op een kind hebt, kan van doorslaggevende betekenis zijn voor een verdere ontwikkeling(van Eijkeren, 2013). Ik wil die positieve invloed op een kind hebben en voor het kind de doorslaggevende betekenis zijn. Daar moet ik later wel wat voor doen, want om hier later invloed op te hebben, zal ik een positieve invloed moeten uitvoeren, zodat ik daar een bijdrage in kan leveren.  Ik moet natuurlijk het kind helpen met het ontdekken van zijn talenten als het kind het zelf nog niet goed weet. Maar ook de kinderen die het wel weten, die moet ik pushen om hun talenten verder te ontwikkelen. Ook moet mijn lokaal later een fijne omgeving zijn voor kinderen om ieder talent te ondersteunen met zijn ontwikkeling. Je schept een gunstig pedagogisch en didactisch klimaat waarin een kind zijn talenten kan ontplooien(van Eijkeren, 2013).

Door een bijdrage te kunnen leveren aan de identiteit van de kinderen moet ik rekening houden met verschillende ontwikkelingen. Dat zijn: lichamelijke ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, creatieve ontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling(van Eijkeren, 2013).
Bij lichamelijke ontwikkeling denk je onder andere aan motoriek en daar valt grove en fijne motoriek onder. Grove motoriek heeft veel te maken met sport. Wanneer ik als leerkracht zie dat bepaalde kinderen goed zijn in sporten, dan zou ik zeggen dat ze er vooral mee moeten doorgaan en misschien wel harder moeten trainen of juist, als ze niet sporten, er juist hun sport van moeten maken.



Bij fijne motoriek, waar je veel met leren schrijven bezig bent, zou ik ervoor willen zorgen dat kinderen, die graag schrijven, meer kunnen gaan schrijven om hun handschrift verder te ontwikkelen. Dat geldt ook voor de kinderen die moeite hebben met schrijven. Een omgeving creëren waardoor ze toch gestimuleerd worden om te gaan schrijven, want je handschrift hoort toch ook bij identiteit.

Dan cognitieve ontwikkeling wat de ontwikkeling is van begripsvormen, het denken(van Eijkeren, 2013). Buner en Vygotski zeggen dat taal één van de belangrijkste invloeden is op de cognitieve ontwikkeling van een kind. Een kind krijgt door middel van taal een greep op zijn of haar omgeving. Ik wil als leerkracht kinderen daar bij helpen, want geen enkel kind weet nog van alles wat het is of wat voor betekenis het heeft. Die greep op de werkelijkheid hebben ze nog niet en daar zou ik graag voor willen zorgen. Dat als kinderen een betekenis van iets willen weten, dat ik ze die kan geven en dat ze het weten voor later. In mijn klas wil ik dan ook voorwerpen hebben waar de kinderen altijd nog wat kunnen met de betekenis en dat ze altijd, als ze het niet weten, het nog kunnen opzoeken.

Bij de creatieve ontwikkeling komen veel vaardigheden van een kind aan bod( van Eijkeren, 2013). Creativiteit hoeft niet alleen te maken te hebben met beeldende vorming, maar ook met het bedenken van nieuwe dingen en het oplossen van problemen. Als leerkracht zou ik de dingen die met beeldende vorming te maken hebben ophangen in de klas zodat de kinderen zien dat ik hun werk mooi vind. Dit kan ze stimuleren om met de volgende werkjes nog meer leuke dingen kunnen doen. Ik sta altijd open voor ideeen, zeker de ideeen van kinderen, want die komen altijd met leuke nieuwe dingen. Als kinderen problemen hebben met oefeningen van lessen, dan wil altijd eerst even dat ze het zelf oplossen. Ik ga niet meteen helpen, want ik haal het alles uit de kinderen zelf. Ik kan ze altijd in de juiste richting sturen, maar zelf het oplossen kan voor het kind fijner zijn. Het kind gaat dan zelf beseffen dat hij of zij het gewoon kan en dat kan er voor zorgen dat ze later ook dingen meer zelf gaan doen i.p.v. het te vragen aan anderen. Dit helpt ook mee aan de identiteit van de kinderen.


Als laatste heb je de sociaal-emotionele ontwikkeling en dat gaat over de ontwikkeling in de omgang van het kind met zichzelf en met andere mensen(van Eijkeren). Hierover vormen kinderen ook een zelfbeeld, een eigen wil, opvattingen over normen en waarden, maar vooral een eigen identiteit(van Eijkeren,2013). Kinderen moeten zich wel bewust zijn over wie ze zelf zijn. Met wie praat de andere persoon en hoe zien zij jou? Als leerkracht zou ik de kinderen graag willen bijbrengen dat zij beleefd moeten blijven tegen oudere mensen. Wat kan je wel zeggen en wat niet? . Ik probeer de normen en waarden over te brengen en de kinderen moet vervolgens wel zelf beseffen wat je daarmee moet doen. Want dit gaan ze later gebruiken en als je weet hoe je hier mee om moet gaan dan heb je wel weer een stukje van je identiteit erbij. Hoe praat ik met mensen en hoe ga ik met ze om?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten